NIOD-medewerkers schrijven over hun werk bij het NIOD Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudies

Publicaties zoeken

donderdag 18 augustus 2016

De NIOD top 5 van beste WO2-boeken

Historisch Nieuwsblad publiceerden onlangs een Top 250 geschiedenisboeken aller tijden. Welke boeken over de Tweede Wereldoorlog staan daar op en hoe verhoudt zich dat tot de boeken die NIOD-medewerkers het belangrijkst vinden? Senior-onderzoeker Martijn Eickhoff en vakreferent Marjo Bakker zochten het uit.

In de Top 250 van beste geschiedenisboeken aller tijden van het Historisch Nieuwsblad staan ruim 40 boeken die direct dan wel indirect de Tweede Wereldoorlog als onderwerp hebben. Dat is goed nieuws voor de relevantie van het traditionele onderzoeksveld van het NIOD. Nog mooier is dat NIOD-auteurs goed vertegenwoordigd zijn. Van de ruim 40 WO2-gerelateerde boeken zijn er 10 van de hand van (oud-) collega's.

We zijn uiteraard zeer benieuwd welk boek uiteindelijk gaat winnen! Maar in het besef dat de keuzeopties door een commissie zijn bepaald, waren wij ook benieuwd wat een vrije keuze voor lijst zou hebben opgeleverd. Daarom hielden wij een mini-enquête onder de NIOD-medewerkers waarin we vroegen naar de 5 belangrijkste WO2-gerelateerde non-fictie boeken. De boeken hoefden niet per se in het Nederlands verschenen te zijn (dat moesten de boeken op de lijst van Historisch Nieuwsblad overigens wel). Hiermee maakten we het ons, gezien het eigenzinnige karakter van de doorsnee NIOD-medewerker, niet makkelijk. Sommige medewerkers leverden een top 3 in, anderen een top 6. Sommige medewerkers wilden ook documentaires opnemen in hun lijst, anderen juist stripboeken.

Het leidde tot de volgende top 5:
  1. Loe de Jong, Het koninkrijk der Nederlanden tijdens de Tweede Wereldoorlog 14 delen (1969-1994)
  2. Jacques Presser, Ondergang. De Vervolging en verdelging van het Nederlandse Jodendom 1940-1945 2 delen  (1965)
  3. Christopher Browning, Ordinary Men. Reserve Police Battalion 101 and the Final Solution in Poland (1992)
  4. Op een gedeelde 4e  plaats:
    • Sebastian Haffner, Kanttekeningen bij Hitler (1978)
    • Timothy Snyder, Bloedlanden. Europa tussen Hitler en Stalin (2011)
  5. Op een gedeelde 5e plaats:
    • Jan Brokken, De vergelding. Een dorp in tijden van oorlog (2013)
    • Ian Buruma, 1945. Biografie van een jaar (2013)
    • David Cesarani, Eichmann, his life and crimes (2004)
    • Raoul Hilberg, The Destruction of European Jewry (1961)
    • Kershaw, Hitler 2 delen (1998-2000)
    • Nikolaus Wachsmann, KL. A History of the Nazi Concentration Camps (2015) (lees hier een eerdere blogpost over dit boek)
    • Jolande Withuis, Weest manlijk, zijt sterk. Pim Boellaard (1903-2001), het leven van een verzetsheld (2008)

De NIOD top vier is in zijn geheel opgenomen in de Historisch Nieuwsblad-lijst; de gedeelde NIOD 5e plaats, grotendeels. Van de 54 door NIOD-medewerkers genoemde titels, zijn er 10 van de hand van (oud-)collega’s, gelijk aan de HN-lijst.

De blijvende waarde van leesbare geschiedenissen van WO2


Wat ons vooral opvalt is dat klassieke leesbare geschiedenissen een blijvende waarde blijken te hebben, zowel voor de commissie van het Historisch Nieuwsblad als voor NIOD-medewerkers. Verder is het gezien de diversiteit van de genoemde titels niet eenvoudig algemene uitspraken te doen; er zijn, naast de titels uit de top vijf, 42 titels waar maar één collega op had gestemd. Wereldgeschiedenis, vrouwengeschiedenis en biografische en lokale benaderingen van het verleden zijn bij de NIOD-medewerkers iets beter vertegenwoordigd. Wat beide lijsten delen is een focus op bezettingsgeschiedenis, Jodenvervolging en de vraagstukken wat het nazisme inhield en hoe het kon functioneren.

Waarde van lijstjes


Dat deze zwaartepunten niet vanzelfsprekend zijn, leert een blik op de Best World War II history-lijst van Goodread. Hier zien we evident een – ook door de website zelf onderkende – focus op de Amerikaanse betrokkenheid bij de Tweede Wereldoorlog.

Lijstjes gaan, zoveel is duidelijk, niet alleen over wie of wat er wel of niet op staan, maar zeggen misschien wel veel meer over de omgeving en ervaringen van degenen die ze opstellen.

Door: Martijn Eickhoff & Marjo Bakker

dinsdag 16 augustus 2016

Over de relevantie van modder en hoe wij tot verzoening kwamen

NIOD collectiespecialist Femke Jacobs werkt samen met 5 andere collega's op het NIOD aan de WO2-thesaurus. In deze blogpost vertelt ze over het beheer van de WO2-thesaurus en over opmerkelijke termen op die lijst. 



Eén van de projecten van het Netwerk Oorlogsbronnen is het tot stand brengen van een WO2-thesaurus, een termenlijst voor het toegankelijk maken van WO2-collecties, waarbij de termen door hiërarchische, equivalente en associatieve relaties met elkaar verbonden worden. Collecties kunnen hierdoor niet alleen beter ontsloten maar ook aan elkaar verbonden kunnen worden.

Trefwoordenoverleg

 

De basis van deze WO2-thesaurus is de trefwoordenlijst van het NIOD, die in de loop van vele jaren door medewerkers van het NIOD is ontwikkeld. Deze lijst bestaat uit ongeveer 1400 termen, merendeels zelfstandige naamwoorden, die iets met de Tweede Wereldoorlog en de Duitse bezetting te maken hebben. Dit zijn voor een deel specifieke termen als Jodenvervolging of Klokkenvordering of Arbeidsinzet, maar ook algemene termen als Economie of Kunst. Tezamen zouden deze 1400 termen alle aspecten van de Tweede Wereldoorlog in het Koninkrijk der Nederlanden (en ook daarbuiten) moeten omvatten. Het onderhoud van deze lijst is een ‘ongoing proces’ en wordt gedaan door een team van collectiespecialisten van zowel bibliotheek, archief als beeldbank. Zij komen geregeld, en vaak tot geamuseerde verwondering van de collega’s (“goh, dat klinkt spannend”), samen in het  zogenaamde ‘Trefwoorden-Overleg’. In het Trefwoorden-overleg wordt besproken of en welke trefwoorden aan de lijst moeten worden toegevoegd, of juist verwijderd of veranderd.

Modder

 

Het NIOD heeft dus één lijst voor zowel bibliotheek, beeldbank en archief, en dat leidt soms tot leuke en leerzame discussies. Zo hadden de bibliothecarissen en de archivarissen hun bedenkingen tegen de relevantie van het trefwoord Modder. (“Modder? Hebben wij echt een trefwoord modder? Haha, die mag er wel uit, toch!”). Dit leidde tot enige emotie bij de foto-deskundige van de BeeldbankWO2, die zijn collega’s moest uitleggen dat modder een tamelijk relevant gegeven was in de militaire geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog, met name aan het Oostfront. Het bleek dat er in de Beeldbank maar liefst 126 foto’s waren van vooral voertuigen en soldaten die vastzaten in de modder. Weer wat geleerd! Het trefwoord is misschien niet zo relevant voor de oorlog in Nederland, maar dat is het trefwoord Woestijnen ook niet, en dat willen we toch erg graag hebben voor bijvoorbeeld boeken over de strijd in Noord-Afrika. Modder is sindsdien één van onze lievelingstrefwoorden en we kunnen niet wachten tot we het ook eens in de bibliotheekcatalogus en de archief-inventarissen kunnen gebruiken.

'Festgefahren!' Bron: Beeldbank WO2, beeld 41276

Vergangenheitsbewältigung

 

Omgekeerd denkt de collectiespecialist van de Beeldbank dat hij waarschijnlijk nooit het trefwoord Vergangenheitsbewältigung zal gebruiken. Vergangenheidswat? Wa’s dat dan? Over deze term is dan ook uitgebreid gesproken in het Trefwoorden-overleg en er is zelfs schriftelijk advies over ingewonnen bij de collega’s van de afdeling Onderzoek van het NIOD. Moet dit trefwoord nou echt? Hmm, tja. We hebben echt wel veel boeken (in augustus 2016 staat de teller op 46 titels) over de moeizame pogingen van de Duitse bevolking en historici om het nationaalsocialistisch verleden te analyseren, te verwerken, en om met dat verleden te leren leven. Maar is er dan geen Nederlandse term voor? De beste vertaling zou worden ‘klaar komen met de geschiedenis’. Hmmm, moeilijk. Besloten is de Vergangenheitsbewältigung bis auf weiteres te handhaven.

Verzoening uit Rwanda

 

De WO2-thesaurus zal gebruikt kunnen gaan worden voor uiteenlopende WO2-collecties, wat ongetwijfeld zal leiden tot nieuwe inzichten. In het verleden hebben we bij het NIOD al wat ervaring opgedaan met het vergelijken van de trefwoordenlijsten van andere organisaties. Zo hebben we ons enkele jaren geleden gebogen over de trefwoorden die gebruikt worden door het Kigali Memorial Center voor het ontsluiten van hun uitgebreide collectie aan getuigenissen van overlevenden van de genocide in Rwanda.

Het vergelijken van de Kigali-lijst met die van ons was moeilijk, niet alleen omdat het Rwandese Kinyarwanda natuurlijk een volstrekt andere taal is, waarin woorden vaak niet eenduidig naar het Nederlands vertaald kunnen worden, maar ook omdat de lijst van termen de vreselijke geschiedenis van de genocide in Rwanda verwoordde. Het lijstje woorden dat omschrijft wat er zoal met een machete gedaan kan worden, culminerend in de term Baciwemo kabiri (een lichaam volledig in mootjes hakken), deden ons de haren ten berge rijzen. Maar toch bleken wij bij het NIOD er iets heel positiefs aan te hebben: na alle ellende bevatte de Kigali-lijst namelijk ook nog het woord Imbabazi (verzoening). Hee, Verzoening. Dat woord staat dus wél vanaf het begin in de te gebruiken trefwoorden van het herinneringscentrum voor een genocide van slechts twintig jaar geleden, maar zeventig jaar na 1945 bleek de NIOD-trefwoordenlijst dat woord nog steeds niet te bevatten. Nu dus wel!

Inmiddels is Verzoening, naast Modder en Vergangenheitsbewältigung, ook één van mijn persoonlijke favo-trefwoorden. In de bibliotheekcatalogus is het trefwoord Verzoening inmiddels 77 keer toegekend. En we gaan het vast ook nog wel aan foto’s toekennen.

Door: Femke Jacobs

dinsdag 19 juli 2016

Voorbij de toegevoegde waarde: historici en archeologen

In juni vond de tweede Noordelijke Netwerkdag Oorlogsbronnen plaats. Martijn Eickhoff, senior onderzoeker bij het NIOD, leidde daar een discussie over kamparcheologie, het archeologisch onderzoek naar concencentratiekampen. NIOD-stagiair Alexander van der Meer doet verslag.



Bij onderzoek naar de Tweede Wereldoorlog werken historici en archeologen vaak langs elkaar heen. Beiden onderzoeken hetzelfde onderwerp, maar de één met behulp van historische bronnen en ooggetuigen, en de ander met behulp van het zogenaamde ‘bodemarchief’. Illustratief voor deze houding is het rapport Archeologie van de Tweede Wereldoorlog, van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, waarin de volgende vraag werd gesteld: ‘Wat kan de archeologie wetenschappelijk gezien nog toevoegen aan de kennis die uit tal van andere historische bronnen en nog levende ooggetuigen bekend is en wordt gevormd?’

Alhoewel het niet ongebruikelijk is dat verwante wetenschapsgebieden elkaar vliegen afvangen, getuigt dit volgens Martijn Eickhoff, senior onderzoeker bij het NIOD, van disciplinaire tunnelvisie. Hij pleit er voor om, in plaats van te redetwisten over toegevoegde waarde, nader tot elkaar te komen. De onderzoeksvragen en methoden van beide disciplines kunnen het onderzoek namelijk ten goede komen. Bovendien kunnen zowel historici als archeologen een maatschappelijke functie vervullen door de herinnering aan het geweld en de slachtoffers levend te houden.

Kamparcheologie 

 

De Noordelijke Netwerkdag Oorlogsbronnen, een bijeenkomst waar beide disciplines, alsook erfgoedonderzoekers en amateurs van allerlei pluimage bijeenkwamen, was de ideale gelegenheid om het bovenstaande ideaal in de praktijk te brengen. Deze dag werd georganiseerd door het Netwerk Oorlogsbronnen, dat tot doel heeft om de collecties van allerlei instellingen over de Tweede Wereldoorlog te bundelen zodat deze beter vindbaar en bruikbaar zijn.

Eickhoff leidde daar een discussie over kamparcheologie, het archeologisch onderzoek naar concentratiekampen, dat de afgelopen 10 à 15 jaar in opkomst is, en geregeld het nieuws haalt. Naast wetenschappelijk  verantwoord archeologisch veldwerk zijn er daarbij ook allerlei raakvlakken met de geschiedwetenschap: de manier waarop maatschappijen zich rekenschap geven van massaal geweld. Kamparcheologie is dus bij uitstek een tak van wetenschap waar beide disciplines elkaar raken. Wat volgt is een verslag van de discussie op deze Netwerkdag over dit onderwerp, waarbij de sprekers vooral uitweidden over de maatschappelijke bijdrage van dit wetenschapsgebied.

Verhaal levend maken

 

Volgens de archeoloog Ivar Schute moeten herinneringscentra van concentratiekampen, en in het verlengde daarvan de kamparcheologie, zich verhouden tot een voortdurend veranderende maatschappelijke context. De jongere generaties hebben meer emotionele afstand tot de oorlog, waardoor een voor hen onbereikbaar verhaal toch levend gemaakt moet worden. In heel Europa is daardoor een verandering waarneembaar waarbij bezoekers niet zozeer geïnteresseerd zijn in monumenten, maar steeds meer een ruimte willen beleven. Kamparcheologen proberen daarom de geschiedenis van een plek zichtbaar te maken op basis van wat zich in de bodem laat vinden. In het verlengde daarvan stelt Guido Abuys, conservator van het Herinneringscentrum Kamp Westerbork, dat archeologische vondsten inderdaad een krachtig middel zijn om associaties op te roepen. Bezoekers stellen prijs op originele voorwerpen, niet kopieën. Een object als een briefkaart die uit de trein werd gegooid, als laatste levensteken, spreekt aan.

Dark tourism 

 

De keerzijde van dit soort toerisme, zoals sommigen het zouden betitelen, werd besproken door onderzoekster Dorina Maria Buda. Zij behandelde ‘Dark Tourism’: het bezoeken van plekken waar verschrikkingen hebben plaatsgevonden. Uit haar onderzoek blijkt echter dat dit niet zozeer een macabere vorm van ramptoerisme is, maar dat de bezoekers wel degelijk getroffen (willen) worden door het gebeurde, en daar lering uit trekken.

Kenniswinst?

 

De archeoloog Evert van Ginkel was tot slot kritisch over de kenniswinst die met de archeologie geboekt kan worden. Archeologen worden immers opgeleid om de prehistorie te onderzoeken, niet de zeer recente geschiedenis. Daarmee lijken we weer terug bij af te zijn. Desalniettemin is hij wel van mening dat zijn vakgebied een bijdrage kan leveren aan het levend houden van de herinnering aan massaal geweld. Een object koppelen aan een plek is een zeer sterk medium om een verhaal te vertellen. Reflectie op het verleden – en daarmee op het heden – en de daarbij opwellende emotie, geven aanleiding voor de bezoeker om figuurlijk dieper te graven.

 

Conclusie 

 

Concluderend kan archeologie een maatschappelijke functie vervullen, alsook een wetenschappelijke discussie op scherp zetten. Er zou noch debat moeten zijn over de vraag of archeologie een hulpwetenschap is van de geschiedenis, noch zou er een hiërarchie van bronnen gemaakt moeten worden. In plaats daarvan zouden wij onderzoeksvragen moeten ontwikkelen die hetzij meer historisch, hetzij meer archeologisch zijn. Voorbij de toegevoegde waarde!

Verder lezen:

Door: Alexander van der Meer

dinsdag 12 juli 2016

EHRI in Boekarest

Op 22 en 23 juni 2016 vond in Boekarest de EHRI General Partner Meeting plaats. NIOD informatiespecialist Annelies van Nispen is vanuit het NIOD betrokken bij EHRI en doet verslag van de bijeenkomst.



Het EHRI-project (European Holocaust Research Infrastructure) kwam voor zijn jaarlijkse General Partner Meeting in Boekarest bij elkaar op 22 en 23 juni. EHRI heeft 23 partners in 17 landen. Van alle instituten waren er vertegenwoordigers. Omdat de focus van EHRI in deze fase voor een belangrijk deel ligt op Oost-Europese landen waren we te gast in Boekarest. Het Elie Wiesel National Institute for the Study of the Holocaust in Romania organiseerde samen met het NIOD de bijeenkomst. Tijdens de General Partner Meeting werden de resultaten van het afgelopen jaar gepresenteerd en was er een korte vooruitblik naar het komende jaar. In deze blogpost geef ik een korte impressie.

Foto: INSHR-EW










EHRI is een netwerk van mensen


Zoals Conny Kristel, projectdirecteur van EHRI, nadrukkelijk zei, EHRI is vooral ook een netwerk van mensen die samenwerken aan Holocaustonderzoek. Er is een programma voor fellowships en er worden workshops en seminars op uiteenlopende gebieden georganiseerd. Wie bij wil blijven, kan zich abonneren op de nieuwsbrief of regelmatig kijken op de project-website.

De EHRI portal


Vorig jaar is de EHRI portal gelanceerd. De portal ondersteunt Holocaustonderzoekers, Digital Humanists, archivarissen en collectiespecialisten bij onderzoek. De portal geeft informatie over Holocaustarchieven, de archiefinstellingen waar deze bewaard worden en er zijn landenoverzichten met informatie over de Holocaust en hoe en waar de collecties bewaard zijn gebleven in het desbetreffende land.

In met name Oost- en Zuidoost-Europa wordt verder onderzoek gedaan naar Holocaustmateriaal dat tot nu toe niet of zeer moeilijk toegankelijk is. De onderzoekers presenteerden een overzicht van de resultaten en ook van EHRI’s inspanningen om de portal te verbeteren zodat deze in de toekomst nog beter aansluit bij de behoeften van de onderzoekers en archivarissen.

Document Blog & online courses


EHRI ontwikkelt ook online cursussen in Holocaust studies. Er zijn nu 5 cursussen beschikbaar op http://training.ehri-project.eu/:
Nog dit jaar komen er nieuwe online courses bij, waarbij meer gebruik gemaakt wordt van multimedia. Let op de EHRI website.

Ook staat sinds begin dit jaar het EHRI Document Blog online. Op dit blog wordt archiefmateriaal gebruikt om korte geschiedenissen te schrijven van mensen of bepaalde historische gebeurtenissen.

Het waren erg inspirerende dagen en het werkte zeer motiverend om met het hele consortium in persoon van gedachten te kunnen wisselen, bij te praten en nieuwe afspraken te maken. Nu weer hard aan de slag zodat er tijdens de EHRI General Partner Meeting 2017 veel vooruitgang is geboekt!

Door: Annelies van Nispen

vrijdag 1 juli 2016

Erfgoed: Waardevast of Waardevol?

Op 12 mei 2016 organiseerde het Koninklijk Nederlands Historisch Genootschap (KNHG) in de serie 'Criteria van waarde in de geschiedschrijving' een bijeenkomst over de waarde van erfgoed, wie die waarde bepaalt en de rol van historici daarin. NIOD-onderzoeker Martijn Eickhoff hield er de keynote lezing 'Erfgoed in niemandsland'. NIOD-stagiair Alexander van der Meer was er bij en doet verslag.

Wanneer wordt iets bestempeld als ‘erfgoed’? Aan de hand van wiens waarden wordt bepaald of iets deze status verdient? Overheden (lokaal, nationaal) en een institutie als UNESCO zijn zeer belangrijke spelers in dit waarde-toekenningsproces. Maar aan de hand van welke motieven – politiek, cultureel, economisch, religieus – bepalen zij wat van waarde is? Niet alleen is erfgoed voor onderzoekers – als bron, onderzoeksobject en financieringsmotief – heel waardevol, maar door iets al dan niet tot erfgoed te verklaren worden mensen wier identiteit daaraan verbonden is ook in- of juist uitgesloten. Hebben historici de verantwoordelijkheid en kunde om zich hier actiever mee te bemoeien? Op een bijeenkomst van het Koninklijk Nederlands Historisch Genootschap stonden de bovenstaande vragen centraal. De discussie spitste zich op een gegeven moment toe op de fundamentele vraag of erfgoed een vastomlijnde waarde heeft, of niet. Deze blogpost is een verslag van het debat dat dit kernaspect verder uitwerkt.

Intrinsieke waarde van erfgoed


Wanneer de toegangspoort van een kasteel verbreed wordt om toeristenstromen te faciliteren, gaat daarmee een deel van de oorspronkelijke waarde en authenticiteit verloren? Fred Vogelezang van het Kenniscentrum voor Kasteel en Buitenplaatsen betoogde van wel, en meent dat erfgoed een intrinsieke waarde heeft. Wanneer bezoekers belangrijker zijn dan het kasteel zelf, verwordt deze tot een soort Disneyland. En wat is dan nog de waarde van het behouden ervan? Met andere woorden: erfgoed is waardevast.

Wat erfgoed voor wie tot erfgoed maakt


Martijn Eickhoff, senior onderzoeker van het NIOD, pleitte er in zijn keynote ‘Erfgoed in niemandsland, geen waarde te bekennen?’ juist voor om erfgoed heel anders te beschouwen. In plaats van te focussen op wat erfgoed is, zouden wij ons moeten richten op wat erfgoed tot erfgoed maakt. Erfgoed, en de daarbij toegepaste criteria van waarde, veranderen in de loop der tijd. Juist het inzichtelijk maken van die veranderingsgeschiedenis is intrinsiek waardevol. Hij onderbouwde deze stelling door in te gaan op de vraag welke criteria van waarden een rol spelen in uitzonderlijke maar wel bestaande zones die aan niemand lijken toe te behoren.

IS versus het Westen


Neem een plek als Leptis Magna in Libië. Deze Fenicisch-Romeins-vroeg-Arabische stad is weliswaar in 1982, na door Libië te zijn voorgedragen, op de UNESCO-werelderfgoedlijst geplaatst maar heden ten dage bevindt deze archeologische vindplaats zich in een soort niemandsland, tussen strijdende partijen, vlak bij door Islamitische Staat gecontroleerd gebied. IS vernietigt geregeld erfgoed. Niet alleen – zoals vaak wordt aangenomen – om te strijden tegen afgoderij, maar ook omdat dit soort erfgoed voorheen werd ingezet om nationale trots te kweken in Arabische landen. IS wenst een Kalifaat te stichten met onderdanen die loyaal zijn vanuit een pan-islamitische identiteit. Nationalisme is daarvoor een ondermijnende kracht. Veel archeologisch erfgoed staat daarmee op een dodenlijst.

IS online magazine Dabiq 11
Toen IS in de buurt van Leptis Magna kwam, werd in Westerse media alarm geslagen, en opgeroepen om deze Romeinse vindplaats te beschermen. Door op deze manier te berichten over Leptis Magna werd het verwijt van IS – het inzetten van archeologie voor de promotie van nationalisme – eigenlijk alleen maar bevestigd. Tekenend is dat de berichtgeving vrij eenzijdig over een ‘Romeinse stad’ sprak. Maar welbeschouwd is dit erfgoed veelomvattender. De Italiaanse koloniale opgravingen in Libië vanaf 1911 hebben van Leptis Magna een archeologisch park gecreëerd met de exclusieve nadruk op het Romeinse verleden, om daarmee Italiaans kolonialisme te legitimeren. Eerdere Fenicische en latere vroeg-Arabische overblijfselen werden toen simpelweg verwijderd.

Op deze manier houden het Westen en IS elkaar in een propagandistische houdgreep. Historici zouden daarom niet moeten fixeren op bepaalde plekken, objecten en tradities – zoals de huidige vorm van Leptis Magna – maar juist de veranderingsgeschiedenis daarvan moeten laten zien. Zodoende kunnen toe-eigenings- en uitsluitingsprocessen letterlijk ondergraven worden en komt de cruciale en vaak over het hoofd geziene band van de lokale bevolking met nabijgelegen erfgoed beter in beeld. Kortom, het gaat niet primair om wat erfgoed is, maar om inzichtelijk te maken wat erfgoed voor wie tot erfgoed maakt.

Randgevallen


Tot slot zijn er ook nog die randgevallen waar erfgoed noch als waardevast, noch als waardevol wordt beschouwd. Zo werd tijdens de discussie opgemerkt dat er op het eiland Sint Eustatius nog allerlei relicten uit de Nederlandse koloniale tijd liggen, waar de huidige eilandbewoners echter totaal geen waarde aan hechten. Wat zou daarmee moeten gebeuren? Interessant was de opmerking dat de notie ‘Westerse mens ontdekt de wereld’ hier niet leidend mag zijn. Deze liet zeker allerlei relicten achter in de nieuw ontdekte gebieden – maar het ging in feite om tweerichtingsverkeer en zelfs om meer: er was ook inter-Caribische en trans-Atlantische uitwisseling. De relicten op die eilanden zijn daarmee niet alleen Nederlands erfgoed, maar evenzeer lokaal en transnationaal. Juist die achtergrond kan een plaatselijk  bewustwordingsproces in gang zetten.

Door: Alexander van de Meer